DCRM 2026

  • Congrescentrum 1931, Den Bosch
  • 12 november 2026 09:00 - 13 november 2026 17:00

Parallelsessie B

In dit mini-symposium worden nieuwe inzichten en implicaties uit vier dwarslaesiestudies met verschillende onderzoeksmethoden gepresenteerd. Daarnaast wordt besproken hoe de Dwarslaesie Organisatie (DON) werkt aan een onderzoeksagenda gebaseerd op ervaringen, behoeften en signalen uit de leefwereld. Daarbij wordt verkend hoe ervaringskennis, praktijkervaring en wetenschappelijk onderzoek elkaar kunnen versterken binnen participatieve vormen van kennisontwikkeling. In de laatste presentatie wordt naast de uitkomsten van de InSCI-enquête, over leven met een dwarslaesie, ingegaan op hoe de samenwerking met de DON de uitkomsten van de enquête betekenis geeft.

Leerdoelen

  • Inzicht in hoe zorgprofessionals de optimale duur en intensiteit van klinische dwarslaesierevalidatie ervaren en welke factoren hierin bepalend zijn voor goede zorg
  • Inzicht in het effect van intensiteit van training op uitkomsten van klinische dwarslaesierevalidatie
  • Inzicht in de belangrijkste effecten van een trainingsperiode bij HandbikeBattle-deelnemers
  • Inzicht in hoe kennisvragen vanuit de leefwereld van mensen met een dwarslaesie kunnen bijdragen aan participatieve kennisontwikkeling en richting kunnen geven aan (toekomstig) onderzoek.
  • Inzicht in uitkomsten van de InSCI-enquête naar leven met een dwarslaesie in Nederland
  • Inzicht in hoe samenwerking met de patiëntenvereniging (DON) uitkomsten van een project betekenis geeft.

Meerwaarde voor patiënten

De nieuwe inzichten die besproken worden hebben een directe meerwaarde voor mensen met een dwarslaesie, bijvoorbeeld de vraag of meer training tijdens klinische revalidatie ook tot meer herstel leidt en wat de meerwaarde is van training voor een evenement als de HandbikeBattle. Daarnaast vertegenwoordigt één van de sprekers Dwarslaesie Organisatie Nederland, waarbij zij in gaat op hoe onderzoek meerwaarde krijgt voor mensen met een dwarslaesie.

Programma

  • 5 min     Inleiding Dr. R. Osterthun
  • 10 min   Spreker 1 A.J. Hakbijl
  • 2 min     Vragen
  • 10 min   Spreker 2 Dr. J.M. Stolwijk-Swüste.
  • 2 min     Vragen
  • 10 min   Spreker 3 Dr. I. Kouwijzer
  • 2 min     Vragen
  • 10 min   Spreker 4 Dr. A. Tigchelaar
  • 2 min     Vragen
  • 10 min   Spreker 5 Dr. R. Osterthun
  • 2 min     Vragen
  • 10 min    Algemene discussie

Sprekers

Voorzitter: Dr. R. Osterthun

  • A.J. Hakbijl: De juiste balans volgens zorgprofessionals: duur en intensiteit van klinische dwarslaesierevalidatie
  • Dr. J.M. Stolwijk-Swüste: Is meer therapie altijd beter? Ervaringen en resultaten van de internationale SCI-MT trial.
  • Dr. I. Kouwijzer: Een multicenter prospectief cohortonderzoek rondom de HandbikeBattle; uitkomsten en implicaties voor de praktijk
  • Dr. A. Tigchelaar: Van leefwereld naar onderzoeksagenda: Participatieve kennisontwikkeling binnen de Dwarslaesie Organisatie
  • Dr. R. Osterthun: Leven met een dwarslaesie in Nederland: betekenisvolle inzichten uit de Internationale Dwarslaesie Enquête (InSCI) door samenwerking met de DON

Cognitieve stoornissen komen voor bij de meerderheid van mensen met niet-aangeboren hersenletsel (NAH) en hebben grote invloed op herstel, zelfredzaamheid en kwaliteit van leven. Veelbelovende innovaties op het gebied van diagnostiek, digitale monitoring en behandeling bieden kansen om de cognitieve revalidatie verder te versterken. Dit mini-symposium presenteert vier actuele ontwikkelingen met directe toepasbaarheid in de revalidatiepraktijk als rode draad.

Het mini-symposium trapt af met twee recente innovaties op het gebied van cognitieve diagnostiek: één gericht op de klinische revalidatiefase, één op de CVA-nazorg. Binnen een CVA-verbeterteam van vier revalidatiecentra (Basalt, Klimmendaal, Revant en Revalidatie Friesland) werd aanzienlijke praktijkvariatie in cognitieve diagnostiek vastgesteld, waarna op basis van richtlijnen en klinische expertise consensus werd bereikt over een flowchart en standaardset voor verkort neuropsychologisch onderzoek. Deelnemers krijgen inzicht in deze werkwijze en handvatten om deze direct toe te passen in het eigen centrum. Daarnaast wint de CVA eCoach-app terrein voor monitoring op afstand in de CVA nazorgfase. De vertaalslag van cognitieve screening op de nazorgpoli naar deze digitale omgeving brengt echter specifieke kansen en uitdagingen met zich mee die in dit symposium worden verkend. Deelnemers gaan naar huis met concrete inzichten over hoe cognitieve screening in een digitale nazorgomgeving vormgegeven kan worden.

Ten slotte worden twee evidence-based digitale behandelinterventies gepresenteerd. Karman Line Plan is een serious game gebaseerd op Goal Management Training, gericht op mensen met executieve functiestoornissen na NAH. Compensatiestrategieën worden in spelvorm geoefend, ondersteund door een smartphone-applicatie voor toepassing in het dagelijks leven. WegWijzer richt zich op navigatieproblemen, die voorkomen bij 30–50% van mensen met NAH maar in de praktijk vaak onopgemerkt blijven. Het programma combineert gevalideerde diagnostiek (de Wayfinding Questionnaire en de Leiden Navigatietest) met een zesweeks blended behandeltraject dat grotendeels zelfstandig thuis wordt uitgevoerd. Beide interventies zijn ontwikkeld via een gebruikersgericht ontwerpproces, geëvalueerd in gerandomiseerde gecontroleerde studies en worden momenteel geïmplementeerd in de Nederlandse revalidatiepraktijk.

Leerdoelen

Na de sessie:

  • is de deelnemer bekend met een uniforme werkwijze voor cognitieve diagnostiek bij CVA/NAH-patiënten in de klinische fase, inclusief een flowchart en een standaardset voor een verkort neuropsychologisch onderzoek, die in het eigen centrum kan worden toegepast;
  • herkent de deelnemer kansen en beperkingen van digitale cognitieve monitoring in de CVA-nazorg met de CVA eCoach-app;
  • heeft de deelnemer kennisgemaakt met Karman Line Plan en WegWijzer, twee digitale cognitieve interventies, en weet de deelnemer hoe deze kunnen worden ingezet in de revalidatiepraktijk.

Meerwaarde voor patiënten

Het symposium bevordert kennisdeling en implementatie van uniforme cognitieve diagnostiek en evidence-based behandeling binnen de revalidatiezorg. Hierdoor kunnen behandelaars cognitieve problemen bij mensen met NAH eerder herkennen en effectieve, digitale behandelingen inzetten, wat bijdraagt aan betere zorgkwaliteit voor deze kwetsbare patiëntengroep.

Programma

  • Introductie – Dr. Teuni ten Brink (5 min)
  • Presentatie 1 – Drs. Elbrich Jagersma (15 min)
  • Presentatie 2 – Dr. Joris de Graaf (10 min)
  • Presentatie 3 – Dr. Dirk Bertens (15 min)
  • Presentatie 4 – Prof. Dr. Ineke van der Ham (15 min)
  • Interactieve discussie met panel en publiek (15 min)

Sprekers

Voorzitter: Dr. Teuni ten Brink

  • Drs. Elbrich Jagersma: Op weg naar uniforme cognitieve diagnostiek bij CVA/NAH patiënten in de klinische fase
  • Dr. Joris de Graaf: Van cognitieve screening op CVA-nazorgpoli naar digitale eCoach-omgeving: kansen en uitdagingen voor de klinische praktijk
  • Dr. Dirk Bertens: Karman Line: ontwikkeling, effectiviteit en implementatie van digitale strategietraining bij executieve functiestoornissen
  • Prof. Dr. Ineke van der Ham: WegWijzer: diagnostiek en behandeling van navigatieproblemen na NAH

Afgelopen jaar is er veel commotie geweest rondom de Pijnrevalidatie en daarom wil de Werkgroep Pijnrevalidatie (WPN) bij dit DCRM congres laten zien welke mooie en innovatieve ontwikkelingen er gaande zijn. Hierbij leggen we graag de focus op het Exposure.NL onderzoek rondom de versnelde implementatie van deze toepassing zowel voor de eerste als tweede lijn binnen het samenwerkingsverband van het Netwerk Pijnrevalidatie Nederland (NPN).

Ongeveer één op de vier Nederlanders heeft dagelijks last van aanhoudende pijnklachten. Deze pijn beïnvloedt het functioneren op allerlei domeinen en verlaagt de kwaliteit van leven. Daarnaast brengt aanhoudende musculoskeletale pijn hoge zorg- en maatschappelijke kosten met zich mee.

Exposure in Vivo (exposure) is een revalidatiebehandeling gericht op het doorbreken van de vicieuze cirkel van angst, vermijding en pijn. Onderzoek laat zien dat exposure effectief is in het verminderen van pijn-gerelateerde angst en functionele beperkingen bij zowel jongeren als volwassenen, met positieve effecten op pijnintensiteit, stemming en kwaliteit van leven. Binnen het Exposure.NL onderzoek hebben we de implementatie van exposure binnen het samenwerkingsverband van het NPN versneld alsook een toepassing voor de eerste lijn ontwikkeld rondom de centra van NPN. Deze netwerkzorg biedt niet alleen de mogelijkheid om de behandeling beter aan te laten sluiten bij de complexiteit van klachten, maar maakt deze vorm van behandelen mogelijk eerder en voor meer patiënten toegankelijk.

Leerdoelen

  • Wat is exposure en wie komt hiervoor in aanmerking?
  • Hoe is de implementatie van exposure in de 2de lijn verlopen?
  • Hoe is de exposure interventie voor de 1ste lijn ontwikkeld?
  • Wat zijn de kansen en belemmeringen van deze netwerkzorg?

Programma en sprekers

  • Wat is exposure en wie komt hiervoor in aanmerking? Uitleg over de theoretische achtergrond, evidentie en aandachtspunten voor indicatiestelling. (20 min inclusief vragen); Marlies den Hollander.
  • Hoe is de implementatie van exposure in de 2de lijn verlopen? Wat zijn de ervaringen, belemmerende en bevorderende factoren van de implementatieprofessionals binnen de NPN centra? (20 min inclusief vragen); Annelot Meeuwisse.
  • Hoe is de exposure interventie voor de 1ste lijn ontwikkeld en welke eerste stappen zijn gezet om deze behandeling te implementeren in de eerste lijn? (20 min inclusief vragen); Thijs van Meulenbroek.
  • Afsluiting / interactie over de kansen en belemmeringen van deze netwerkzorg met zowel input vanuit de deelnemers als de resultaten vanuit het Exposure.NL onderzoek (15 min); Véronique Moulaert & Jan Groenewegen

In de kinderrevalidatie behandelen we kinderen met veelal complexe problematiek. Dikwijls zijn bij deze kinderen, naast de revalidatieprofessionals uit het eigen revalidatieteam, ook andere professionals betrokken: therapeuten uit de 1e, 2e en 3e lijn, huisartsen, medisch specialisten uit verschillende settings, maar ook school, gemeente en andere instanties. Vanuit ouders horen we vaak de roep om betere samenwerking: zij ervaren dat er onvoldoende wordt gecommuniceerd tussen de betrokkenen en dat de coördinatie van zorg vervolgens bij hen terecht komt. Dit is een forse extra belasting van ouders van deze kinderen. In deze sessie gaan we het hebben over netwerken in beweging om familie-inclusief samen te werken en te zwermen                                    Hoe zien we onze rollen? Hoe kunnen we gezinsinclusieve zorg samen met ouders vormgeven en hoe zorgen we dat we dit zo goed mogelijk doen? Wat hebben we in de praktijk nodig om dit beter te organiseren? Welke informatie en communicatie zijn nodig om zorg gezamenlijk vorm te geven?

Ons onderzoeksproject De Zwerm richt zich op het verbeteren van hoe we de zorg met en rondom gezinnen beter kunnen organiseren. Het functioneren van dieren in een zwerm dient daarbij als inspiratiebron. Zwermen vogels functioneren zonder centrale aansturing/coördinatie, op basis van lokale interactie tussen individuen. In deze workshop gaan we samen met de deelnemers aan de slag om samenwerking in de zorg voor kinderen en gezinnen beter en inclusiever vorm te geven.

Leerdoelen

  • De deelnemer heeft inzicht in de voor- en nadelen van netwerkzorg
  • De deelnemer neemt kennis van de concepten van familie-inclusieve en zwermzorg
  • De deelnemer kan kennis toepassen om samenwerken te verbeteren

Sprekers

Voorzitter: Mattijs Alsem

  • Anne Breure
  • Sophie Tooten
  • Astrid Janssens
  • Lisa-Maria van Klaveren

Programma

  • Mattijs Alsem 5’: Inleiding en probleemstelling.
    • Engagement van de deelnemers: tegen welke problemen loopt men in de praktijk aan?
    • Wat zeggen protocollen en richtlijnen over samenwerking in zorgcoördinatie? Van patiëntgerichte naar familie-inclusieve zorg
  • Anne Breure 7’: De impact en rol van ouders in het huidige interprofessionele netwerk
  • Sophie Tooten 7’: Netwerkzorg en proactieve zorgplanning: hoe zien de netwerken er uit? Wat zijn bevorderende factoren voor betere interprofessionele samenwerking?
  • Astrid Janssens 7’: Gelijkwaardige samenwerking in de zorg met patiënten en hun ouders; enkele concepten
  • Lisa van Klaveren 7’: Wat is complexiteit van zorg? Van Netwerken naar Zwermen: wat betekent dat?
  • In kleinere groepjes discussie over de vertaling van bovengenoemde concepten naar de praktijk 15’: Hoe kun je dit toepassen en wat heb je daarvoor nodig? Wat zou ‘zwermen’ kunnen betekenen in de dagelijkse praktijk?
  • Gezamenlijke Discussie 20’ over inclusieve samenwerking inclusief barrières en facilitators.Hoe kunnen we zwermprincipes toepassen in de praktijk? Welke stappen kunnen in de toekomst helpen om gezinsinclusieve en zwermende zorg vorm te geven?
  • Uitloop en afronding 5’

De Canadian Occupational Performance Measure (COPM) wordt breed gebruikt om persoonlijke behandeldoelen en ervaren behandeluitkomsten inzichtelijk te maken. Toch blijft de toepassing vaak beperkt tot het individuele patiëntniveau. In dit mini-symposium laten we zien hoe COPM-data ook benut kunnen worden voor wetenschappelijk onderzoek, kwaliteitsverbetering en data-geïnformeerde zorg.

Aan de hand van recent onderzoek wordt getoond hoe de COPM gebruikt kan worden om patiëntrelevante behandeluitkomsten systematisch te evalueren. Daarnaast presenteren we een innovatieve aanpak waarbij COPM-uitkomsten worden gekoppeld aan ICF-domeinen, zodat landelijke vergelijking tussen revalidatiecentra meer betekenis krijgt dan een totaalscore alleen.

Patiëntparticipatie vormt een essentieel onderdeel van deze ontwikkeling. Binnen de stichting Revalidatie Impact (SRI) denkt een patiëntpartner actief mee over interpretatie, relevantie en toepassing van COPM-data voor kwaliteitsverbetering. Daarmee laten we zien hoe data-geïnformeerde zorg en patiëntperspectief elkaar kunnen versterken.

Leerdoelen

Na deze sessie kunnen deelnemers:

  • beschrijven hoe COPM-data benut kunnen worden in wetenschappelijk onderzoek;
  • uitleggen hoe koppeling van COPM-data aan ICF-domeinen meer interpretatiekracht geeft;
  • reflecteren op de rol van patiëntparticipatie bij de ontwikkeling en toepassing van uitkomstinformatie;
  • vertalen hoe PROM-data ingezet kunnen worden in spiegelgesprekken en kwaliteitsverbetering in de eigen praktijk.

Meerwaarde voor patiënten

Dit mini-symposium draagt direct bij aan patiëntgerichte zorg doordat persoonlijke uitkomsten niet alleen op individueel niveau worden gebruikt, maar ook systematisch worden benut om zorgprocessen te verbeteren. Door COPM-data inhoudelijk te verfijnen en te koppelen aan ICF-domeinen ontstaat rijkere spiegelinformatie voor behandelteams en revalidatiecentra.

De actieve betrokkenheid van een patiëntpartner versterkt de relevantie van deze ontwikkeling. Zo wordt niet alleen gekeken naar wat meetbaar is, maar vooral naar wat voor patiënten daadwerkelijk betekenisvol is. Dit ondersteunt kwaliteitsverbetering die beter aansluit bij patiëntbehoeften en behandeluitkomsten die er écht toe doen.

Programma

  • 0–10 min: Introductie en positionering door Judith van Munster
  • 10–30 min: COPM in wetenschappelijk onderzoek door Heleen van der Wielen
  • 30–50 min: COPM–ICF mapping en landelijke benchmarking door Heleen Reinders-Messelink
  • 50–65 min: Interactieve discussie met publiek – hoe maken we PROM-data klinisch betekenisvol vanuit patiëntperspectief? door patiëntpartner/vertegenwoordiger stichting Revalidatie Impact
  • 65–75 min: Paneldiscussie, vragen en praktische take-home messages

Sprekers

Voorzitter: Judith van Munster, revalidatiearts

  • Drs. Heleen van der Wielen, revalidatiearts – ‘Van persoonlijke doelen naar evidence: COPM als uitkomstmaat in wetenschappelijk onderzoek’. Presentatie over recent onderzoek naar het gebruik van de COPM bij mensen met Charcot-Marie-Tooth, waarin persoonlijke doelen en behandeluitkomsten systematisch werden geëvalueerd.
  • Dr. Heleen Reinders-Messelink, Senior onderzoeker– ‘Van PROM naar kwaliteitsinformatie: COPM-data koppelen aan ICF-domeinen voor betekenisvolle benchmarking’Presentatie over het lopende project waarin COPM-data uit de medisch specialistische kinderrevalidatie worden gemapt op ICF-domeinen om spiegelinformatie betekenisvoller en verfijnder te maken.
  • Patiëntpartner/vertegenwoordiger Stichting Revalidatie Impact -‘Wat maakt uitkomstinformatie betekenisvol vanuit patiëntperspectief?’ Reflectie op hoe PROM-data daadwerkelijk bruikbaar worden voor betere zorg.

DCRM 2026 zet met het thema Revalidatieonderzoek in de schijnwerpers het vakgebied nadrukkelijk op de kaart. Niet door alleen resultaten te tonen, maar door te reflecteren op de positie, organisatie en zichtbaarheid van ons onderzoek. Revalidatiegeneeskundig onderzoek beweegt zich immers in een complex en dynamisch landschap: lokaal binnen UMC’s en instellingen, nationaal in samenwerkingsverbanden en netwerken, en internationaal in consortia, subsidietrajecten en wetenschappelijke gremia.

In dit mini symposium verkent het Hooglerarenconvent Revalidatiegeneeskunde hoe Nederland zijn onderzoekspositie kan versterken. Centraal staat de vraag hoe we wetenschappelijke kwaliteit, academisering, talentontwikkeling, implementatiekracht en maatschappelijke impact sterker met elkaar verbinden. Het gaat daarbij niet om méér onderzoek, maar om strategischer onderzoek: zichtbaar bijdragen aan betere revalidatiezorg, opleiding, beleidsvorming en internationale profilering van het vak.

Leerdoelen

Na afloop kunnen deelnemers:

  • het onderzoekslandschap duiden op (inter)nationaal niveau;
  • benoemen welke keuzes nodig zijn voor een sterkere academische positionering;
  • reflecteren op de rol van revalidatieartsen, onderzoekers, AIOS en instellingen in samenwerking en implementatie;
  • concrete aangrijpingspunten formuleren om onderzoek lokaal en landelijk beter te verbinden met meerwaarde voor de patiënt.

Programma

  • 0–5 min: introductie door de voorzitter.
  • 5–20 min: presentatie Nederland op de kaart in internationaal revalidatieonderzoek 20–35 min: presentatie Werken als revalidatiearts in een academische context
  • 35–50 min: presentatie Samenwerking binnen nationale infrastructuur, talentbeleid en academisering
  • 50–70 min: presentatie loopt over in een interactieve discussie met deelnemers
  • 70–75 min: samenvatting en opbrengst: contouren van een gezamenlijke agenda voor sterker gepositioneerd revalidatieonderzoek door de voorzitter.

Sprekers

Onder leiding van voorzitter Prof. dr. Anne Visser neemt een sterk panel van experts je mee in drie actuele thema’s die de toekomst van het revalidatieonderzoek bepalen.

  • Presentatie 1 – Nederland op de kaart in internationaal revalidatieonderzoek
    • Prof. dr. Vincent de Groot, Prof. dr. Annemiek Buizer en Prof. dr. Jan Groothuis laten zien hoe Nederland zijn positie in internationale consortia, Europese onderzoeksnetwerken en subsidietrajecten kan versterken. Ze bespreken de noodzaak van herkenbare Nederlandse expertisegebieden en hoe strategische samenwerking leidt tot zichtbare wetenschappelijke profilering.
  • Presentatie 2 – Werken als revalidatiearts in een academische context
    • Dr. Maurice Sopacua belicht hoe onderzoek een onderscheidend profiel vormt binnen het UMC. Hij gaat in op de keuze voor werken binnen de academie, de verbinding met onderwijs, zorg en opleiding, en het belang van academische tijd die zich vertaalt in aantoonbare output.
  • Presentatie 3 – Samenwerking binnen nationale infrastructuur, talentbeleid en academisering
    • Drs. Luikje van der Dussen, Dr. Diana Oosterveer en Dr. Joris de Graaf bespreken onder leiding van Prof. dr. Anne Visser hoe UMC’s, revalidatiecentra en netwerken samen een krachtige nationale onderzoek infrastructuur kunnen bouwen. Ze gaan in op talentontwikkeling, loopbaanpaden en de cruciale koppeling tussen kennisontwikkeling en implementatie.
  • Presentatie 3 loopt over in de interactieve discussie.